Werk veilig.
Houd plezier.
Kijk vooruit.

Begeleiden

Als je leerlingen gaat begeleiden beschik je als het goed is over een aantal competenties:

  • Stem jouw manier van opleiden af op de taakvolwassenheid en leerstijl van de leerling.
  • Houd in de gaten of de leerling functioneert volgens de gemaakte afspraken en geef duidelijke instructies als de leerling niet aan de verwachting (dreigt) te voldoen.

  • Stimuleer en coach de leerling.
  • Geef de leerling heldere en constructieve feedback.
  • Motiveer de leerling door hem in meer of mindere mate sociaal-emotioneel te ondersteunen.
  • Beslissen of er vooruit wordt geboekt, bepaal ontwikkelpunten en werk bij het beoordelen met toetsingsinstrumenten.

  • Evalueer de bpv-periode om verbeterpunten te signaleren.
  • Vraag de leerling wat hij wil leren en neem dit als uitgangspunt.

  • Maak helder welke leerdoelen behaald moeten worden.
  • Plan de leeractiviteiten van de leerling.
  • Volg de voortgang hiervan.
  • Kijk wanneer ingrijpen nodig is.

  • Toon interesse door te luisteren, vragen stellen en observeren.
  • Bespreek jouw observaties met de leerling.
  • Stimuleer de leerling om mee te denken over invulling van het leerproces.
  • Luister naar adviezen van de praktijkbegeleider en adviseur praktijkleren ROC en geef aan wat je hiermee doet.

  • Leg uit hoe zaken werken, doe dit voor maar laat de leerling ook zelf nadenken.
  • Gebruik je vakkennis om de leerling te beoordelen.
  • Bekijk informatie van school, de wensen van de leerling en de mogelijkheden binnen het bedrijf.
  • Observeer de leerling aan de hand van de beoordelingscriteria en geef hier een waardering aan.


Vijf tips voor het begeleiden van leerlingen



Een leerling moet de gelegenheid krijgen om te mogen en kunnen leren. Dit betekent natuurlijk niet dat je ze continu bij de hand moet nemen. Ondersteun ze zo dat ze nog wel hun eigen leerproces doorlopen.

Voorbeeld:
“We hadden hier een stagiaire die een onvoldoende had gekregen voor een eerdere stage die ze nu weer bij ons moest doorlopen. Het was aan de stagiaire of ze wilde dat collega’s dit zouden weten. Je weet nooit wat voor redenen achter die onvoldoende zaten, dus zo’n stagiaire verdient een schone lei in plaats van beginnen met het stempel ‘slecht’. De vaste werkbegeleiders die het wel wisten, konden hierdoor discreet inspelen op lastige momenten.”

Er zijn verschillende leerstijlen, van doener tot denker. Als een doener een denker gaat begeleiden kan dit irritatie opleveren. De denker wil het liefst alle protocollen uitpluizen en opzoeken wat nodig is, terwijl het de doener al snel te traag gaat. Als je inzicht hebt in je eigen leerstijlen en die van een ander, kun je meer begrip kweken en hierop inspelen. Het is de bedoeling dat er ruimte is voor het toepassen van alle leerstijlen.

Oordeel niet over leerlingen of collega’s. Natuurlijk wordt er overal geroddeld maar het is goed om er alert op te zijn dat je dit, vooral in het bijzijn van leerlingen, niet doet.

Voorbeeld:

“Ik hoorde een werkbegeleider opscheppen over haar leerling, dat ze zo goed is, actief en competent. Dit deed ze in het bijzijn van een andere leerling. Ik zag deze leerling helemaal onzeker en klein worden. Zoiets is niet slim om te doen. Maar andersom, dus (negatief) oordelen over een werkbegeleider waar een leerling bij staat, moet je ook laten. Je stelt een persoon waar een leerling vertrouwen in heeft in een slecht daglicht. Je kunt het natuurlijk nooit helemaal goed doen, maar probeer het roddelen in ieder geval te beperken.”

 

Bij een leerperiode is het belangrijk dat het beste in de leerling naar boven wordt gehaald. Wat gaat er goed en wat zijn ontwikkelpunten? Doe dit met een positieve benadering. Natuurlijk moeten dingen die echt niet goed gaan wel benoemd worden. Leerlingen groeien echter meer als positiviteit op de voorgrond staat.

Verplaats je eens in de leerling. Hoe zou dat voelen? Negatieve ervaringen blijven je vaak lang bij. Je hoeft en kunt leerlingen natuurlijk niet overal tegen beschermen, maar een stukje bewustzijn doet vaak een hoop goed.

Begeleiden

Een leermeester moet de deelnemer de ruimte geven om zelfstandig te werken.



  • Dichtbij of op afstand begeleiden:
    o Houd rekening met faalangst/zelfvertrouwen.
    o De deelnemer moet leren op eigen benen te staan.
    o Optimale voortgang van de opleiding staat centraal.
    o Heb je onvoldoende vertrouwen in de zelfstandigheid van de deelnemer? Kies dan voor dichtbij begeleiden.

  •  Direct of indirect corrigeren/ingrijpen:
    o De ernst van de fout is een belangrijk criterium.
    o Je correctie moet stimulerend zijn voor de leerhouding van de deelnemer.
    o Bij onveilige situaties: direct ingrijpen.
    o Zorg dat de deelnemer leeractief blijft. Ondermijn het zelfvertrouwen niet.

  •  Aanvullende instructie geven:
    o Wanneer de deelnemer de opdracht of handeling (op onderdelen) niet juist uitvoert.
    o Onderzoek eventueel samen met de deelnemer wat de oorzaak is.
    o Bereid aanvullende instructie voor over ontbrekende kennis en geef de instructie.
    o Zorg weer voor een goede interactie tussen jou en de deelnemer.

  •  (Tussentijds) belonen:
    o Belonen stimuleert de motivatie en de zelfstandigheid van de deelnemer.
    o Belonen is relatieversterkend.
    o Belonen zorgt voor een goede werk-/leersfeer.
    o De beloning moet wel rechtvaardig zijn.

Delen via:

contact